© KIK-IRPA, Brussel

Karel de Lalaing

Glasraam van Karel de Lalaing en Jacoba van Luxemburg, vermoedelijk vervaardigd door Claes Mathysen in 1533. Dit glasraam bevindt zich in het noordzijkoor.

Dit is een interactieve foto

Het tafereel en het landschap op de achtergrond worden omlijst door een booggewelf in renaissancestijl met fronton, engeltjes met bloem- en vruchtenslingers, rondbogen met sluitstenen, festoenen en pilasters. Het doorkijkje naar het achterliggende landschap is eveneens een typisch kenmerk van de renaissance. In de bovenbouw zijn 6 wapenschilden verwerkt. Helemaal onderaan het glas-in-loodraam kijken twee ramskoppen naar een decor met eveneens 6 wapenschilden, die de afkomst van Karel de Lalaing en Jacoba van Luxemburg illustreren.

Karel de Lalaing (1466-1525) was de eerste graaf van Lalaing en oudere broer van Antoon I de Lalaing. Samen met zijn vrouw, Jacoba van Luxemburg, schonk hij dit glasraam aan de Sint-Katharinakerk. Karel staat rechtsonder geknield afgebeeld met gevouwen handen en de heraldische tekens van huis de Lalaing (zilveren ruit op keel) op zijn wapenrok. Rond zijn schouders draagt hij het juweel van de Orde van het Gulden Vlies.

Karel de Grote (ca. 747-814), patroonheilige van Karel de Lalaing, staat rechts achteraan afgebeeld. Hij is herkenbaar aan zijn keizerskroon, nimbus, rijkszwaard en wereldbol met gouden kruis.

Jacoba van Luxemburg (ca.1475- ca.1515) was de dochter van Jacob van Luxemburg en Maria de Berlaymont. Zij knielt linksonder met gevouwen handen en draagt de heraldische tekens van huis de Lalaing (zilveren ruit op keel) op haar mantel. Onder haar mantel draagt zij de surcotte ouvert, een jurk die stamt uit de middeleeuwen en enkel gedragen werd door adellijke dames bij ceremoniële gelegenheden. De armsgaten van de surcotte ouvert zijn zo diep uitgesneden dat er een blik geworpen kan worden op de taille en de heupen. De voorzijde van de jurk is verstevigd en wordt ook wel de placard of plastron genoemd. Op haar hoofd draagt Jacoba een typisch 16e eeuws kapje, bestaande uit een met edelstenen bezette band, waaraan een lange, vaak zwarte, lap hangt.

Jacobus de Meerdere, patroonheilige van Jacoba van Luxemburg, staat links achteraan op het glasraam afgebeeld. Hij is herkenbaar aan zijn pelgrimshoed met Sint-Jacobsschelpen en nimbus. Vaak draagt hij ook nog een pelgrimsstaf met zich mee.

Onder het fronton staan de wapenschilden van Culemborg (links) en Bourgondië (rechts) afgebeeld. Vermoedelijk zijn deze twee wapenschilden ontleend aan het oorspronkelijke glasraam, dat helaas verloren is gegaan. De wapenschilden verwijzen naar de ouders van Elisabeth van Culemborg, namelijk Jasper van Culemborg (1445-1504) en Johanna van Bourgondië (1459-1511).

Op het linkerdeel van het dekstuk staan de wapenschilden van Hamaïde en Viefville, welke verwijzen naar de afkomst van Jacoba van Luxemburg. Op het rechterdeel staan de wapenschilden van Viefville en du Bois afgebeeld, welke verwijzen naar de afkomst van Karel de Lalaing.

Onderaan het glasraam, van links naar rechts, staan de wapenschilden van Melun (voorouders via vaderskant) en Berlaymont (voorouders via moederskant), welke verwijzen naar de afkomst van Jacoba van Luxemburg. Het wapenschild van Jacoba zelf staat als derde in het rijtje. Dit ruitvormige wapenschild is gedeeld en bevat rechts de zilveren ruiten op keel (rood) van haar echtgenoot en links het gevierendeelde wapenschild met leeuwen en 12-puntige sterren van Jacoba’s vader.

Naast het wapenschild van Jacoba prijkt het schild van Karel de Lalaing met zilveren ruiten op een rode achtergrond en gedekt met een parelkroon, welke verwijst naar zijn titel als graaf. Het wapen is behangen met de Gulden Vliesketting. Rechts van Karels wapenschild staan de wapens van Viefville (voorouders via moederskant) en Gavere-Schorisse (voorouders via vaderskant).